Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Buitengebied, Wolderweg 5 Maasbommel
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0668.BUIWolderweg5-OH01

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:
 
  1. plan:
het bestemmingsplan Buitengebied, Wolderweg 5 Maasbommel met identificatienummer NL.IMRO.0668.BUIWolderweg5-OH01 van de gemeente West Maas en Waal;
 
  1. bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;  
 
  1. aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
  1. aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding, indien het een vlak betreft;
 
  1. afhankelijke woonruimte:
een onderdeel van het hoofdgebouw of bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is;
 
  1. agrarisch bedrijf:
een akkerbouw-, bloementeelt-, sierteelt-, fruitteelt- of ander tuinbouwbedrijf, alsmede een pluimvee-, varkens-, mestrund- en mestkalverenhouderij, paarden- en geitenhouderij danwel een uit twee of meer van genoemde bedrijfstakken samengesteld bedrijf;
 
  1. agrarische gebouwen:
gebouwen ten dienste van agrarische doeleinden, niet zijnde een bedrijfswoning;
 
  1. ander bouwwerk:
een bouwwerk, niet zijnde een gebouw of bijbehorend bouwwerk;
 
  1. bebouwde oppervlakte van een perceel of ander terrein:
de som van de oppervlakten van alle op een perceel of terrein gelegen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken, 1 meter boven peil en buitenwerks gemeten;
 

  1. bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
 
  1. bebouwingspercentage:
de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen op een bouwperceel, in procenten van de oppervlakte van dat bouwperceel;
 
  1. bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis gebonden beroepen daaronder niet begrepen;
 
  1. bedrijf aan huis:
een bedrijf, waaronder een kappersbedrijf, dat door de gebruiker van een woning in die woning of een bijbehorend bijgebouw wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;
 
  1. bedrijfsvloeroppervlakte:
de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke;
 
  1. bedrijfswoning:
één woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op het feitelijk gebruik van het gebouw en/of terrein in overeenstemming met de bestemming;
 
  1. beroep aan huis:
een dienstverlenend beroep, dat door de gebruiker van een woning in die woning of een bijbehorend bijgebouw uitgeoefend wordt, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;
 
  1. bestaand:
  • bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;
  • bij gebruik: het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald;
 
  1. bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
 
  1. bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
 

  1. bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak;
 
  1. bouwen:
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;
 
  1. bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
 
  1. bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
 
  1. bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel;
 
  1. bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
 
  1. bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
 
  1. dagrecreatie:
vormen van recreatie, die in principe plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang en niet gericht zijn op het verstrekken van nachtverblijf;
 
  1. detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
 
  1. detailhandel in eigen vervaardigde en/of voortgebrachte producten:
(streek)producten die door het toegelaten bedrijf zijn voortgebracht, geteeld of vervaardigd;
 
  1. EHS:
Ecologische Hoofdstructuur;
 
  1. extensief recreatief medegebruik:
die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, paardrijden, (water)fietsen en kanoën;
 

  1. gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
 
  1. glastuinbouw:
een agrarisch bedrijf dat zich hoofdzakelijktoelegt op het telen van gewassen in kassen;
 
  1. grondgebonden agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf dat gericht is op het ontwikkelen van activiteiten, waarbij de productie geheel of nagenoeg geheel afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond (als productiemiddel) waar het bedrijf over kan beschikken;
 
  1. hoofdgebouw:
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
 
  1. horeca:
een bedrijf dat gericht is op het verstrekken van nachtverblijf en/of voedsel en dranken en/of exploiteren van zaalaccommodatie, niet-zijnde een coffeeshop;
 
  1. inwoning:
het bewonen van een woonruimte die deel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is genomen, met dien verstande dat woningsplitsing en/of kamerbewoning niet toegestaan is;
 
  1. kamerbewoning:
het gebruik van een hoofdgebouw door meer dan twee onzelfstandige huishoudens;
 
  1. kampeermiddel:
tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor ingevolge artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
 
  1. kampeerterrein:
terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf;
 
  1. kas:
een gebouw waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal;
 

  1. kernkwaliteiten:
de belangrijkste landschappelijke en ecologische kenmerken van de onderscheiden delen van het beschermde gebied. Het behoud van de identiteit van de onderscheiden delen is alleen mogelijk als deze kernkwaliteiten niet worden aangetast;
 
  1. landschappelijke waarde:
waarde in een gebied in landschappelijk-esthetische en/of geomorfologische zin;
 
  1. mantelzorg:
langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar;
 
  1. natuur:
alle levende organismen, hun habitats, de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken en de daarmee verbonden uit zichzelf functionerende ecologische processen;
 
  1. natuurwaarde:
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de aanwezigheid en de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur, zoals geologische, geomorfologische, bodemkundige en/of biologische elementen;
 
  1. nevenfuncties:
activiteiten die in ruimtelijke en bedrijfseconomische zin een ondergeschikt bestanddeel vormen van de totale bedrijfsactiviteiten op een agrarisch bouwperceel;
 
  1. niet-grondgebonden agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf dat gericht is op het ontwikkelen van activiteiten, waarbij de productie geheel of nagenoeg geheel plaatsvindt in gebouwen en niet of slechts in ondergeschikte mate afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond;
 
  1. ondergronds:
onder peil;
 
  1. overig bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
 
  1. pand:
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;
 
  1. peil:
  • voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • voor gebouwen in het talud van de dijk: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de van de dijk afgekeerde zijde van het gebouw;
  • in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld;
  • voor woon en/of werkschepen: de waterlijn;
 

  1. permanente bewoning:
bewoning door (het huishouden van) een persoon of door daarmee gelijk te stellen groep van personen van een recreatiewoning, stacaravan of andere voor wisselende bewoning bedoelde ruimte als hoofdverblijf c.q. vaste woon- of verblijfplaats;
 
  1. prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander, tegen vergoeding;
 
  1. recreatiewoning:
een permanent ter plaatse aanwezig voor wisselende bewoning bedoeld gebouw, geen woonkeet en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd om uitsluitend door (het huishouden van) een persoon of daarmee gelijk te stellen groep van personen dat/die zijn hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden bewoond;
 
  1. schuilgelegenheid dieren:
een vrijstaand gebouw voor het tijdelijk stallen van hobbymatige gehouden dieren;
 
  1. seksinrichting:
een voor publiek toegankelijk, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoning van erotische-pornografische aard plaatsvindt. Hieronder wordt in elk geval verstaan een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, sekstheater, of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
  1. sierteeltbedrijf:
een agrarisch bedrijf dat gericht is op het telen van siergewassen;
 
  1. (sleuf)silo:
een bouwwerk - geen mestopslagplaats zijnde - voor het opslaan van agrarische producten;
 
  1. stacaravan:
een kampeermiddel in de vorm van een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat mede gelet op de afmetingen, kennelijk niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen ook over grotere afstanden als een aanhangsel van een auto te worden voortbewogen;
 
  1. standplaats:
een in of op het (kampeer)terrein aangegeven, zichtbaar gemarkeerde plek, d.m.v. nummering, stroomvoorziening, erfafscheiding of anderszins, voor het tijdelijk plaatsen van een kampeermiddel ten behoeve van recreatief nachtverblijf. Een bijzettentje wordt hierbij niet als afzonderlijk kampeermiddel aangemerkt;
 

  1. teeltondersteunende voorzieningen:
ondersteunende voorzieningen ten behoeve van vollegronds groente-, fruit-, bloemen- en boomteelt, te onderscheiden in de volgende categorieën:
  • laag/tijdelijk: teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van maximaal 1,50 meter, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 7 maanden in de periode 1 maart tot en met 30 november, bijvoorbeeld insectengaas, afdekfolie, lage tunnels;
  • hoog/tijdelijk: teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van minimaal 1,50 en maximaal 2 meter, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 7 maanden in de periode 1 maart tot en met 30 november, bijvoorbeeld menstoegankelijke wandelkappen, schaduwhallen en hagelnetten;
  • verankerde palen en constructie mogen permanent aanwezig zijn.
 
  1. voorgevelrooilijn:
de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk, dan wel bouwvlak, is gelegen alsmede het verlengde daarvan die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd;
 
  1. voorgevel:
de naar de openbare weg gekeerde gevel van een gebouw, of indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;
 
  1. wegen:
alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin gelegen bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
 
  1. wet/wettelijke regeling:
waar in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen wordt geduid op die regelingen, zoals zij luidden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan;
 
  1. woning:
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
  1. bebouwingspercentage:
het deel van het bouwblok, uitgedrukt in procenten, dat bebouwd mag worden;
 
  1. de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
  1. de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  1. de hoogte van een windturbine:
vanaf het peil tot aan de as van de windturbine;
  1. de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
  1. de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  1. het bebouwd oppervlak van een bouwperceel:
de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen;
 
  1. de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
  
Bij het meten van een afstand wordt gemeten vanaf het hart van de lijn naar het hart van de lijn (hart op hart).

2.1 Bestemmingsregels

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch – Komgebied

3.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor ‘Agrarisch – Komgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
 
  1. agrarische doeleinden en grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven met bijbehorende erven;
  2. ter plaatse van de functieaanduiding ‘groen’ zijn de gronden uitsluitend bestemd voor groenvoorzieningen met een streekeigen beplanting, water en waterhuishoudkundige voorzieningen; één en ander ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing van het perceel en ten behoeve van de waterhuishouding;
  3. het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke en ecologische waarden;
  4. de uitoefening van nevenfuncties bij agrarische bedrijven, als vermeld in bijlage 1 ‘Toegelaten functies’; 
  5. het uitoefenen van een beroep aan huis of een bedrijf aan huis waarvoor maximaal 40% van de bestaande gebouwen tot een totale vloeroppervlakte van maximaal 80 m² mag worden ingericht;
  6. ondergeschikte detailhandel in eigen vervaardigde producten en streekgeproduceerde producten;
  7. extensief recreatief medegebruik, voor zover de onder b genoemde waarden niet onevenredig worden aangetast;
  8. kleinschalige voorzieningen voor de verkoop van streek geproduceerde (agrarische) producten;
  9. nutsvoorzieningen;
  10. watergangen;
 
met daarbij behorende gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken.
 

3.2 Bouwregels
 
Binnen deze bestemming mogen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels.
 
3.2.1. Voor het bouwen van gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken binnen het bouwvlak gelden de volgende regels:
  1. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken dienen binnen het ‘bouwvlak’ te worden gebouwd; 
  2. per bouwvlak is maximaal één agrarisch bedrijf en één bedrijfswoning toegestaan; indien meerdere legale bedrijfswoningen aanwezig zijn ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan geldt dit aantal als maximum;
  3. maximaal 25% van de oppervlakte van bestaande bedrijfsgebouwen tot een totale maximale vloeroppervlakte van 350 m² mag worden gebruikt ten behoeve van nevenfuncties, als bedoeld in bijlage 1 ‘
    Toegelaten functies
    ’, mits:
    • de toegelaten nevenactiviteiten plaatsvinden naast en ter ondersteuning van de agrarische bedrijfsvoering;
    • geen buitenopslag plaatsvindt ten behoeve van deze nevenfuncties;
    • geen sprake is van een aanzienlijke verkeersaantrekkende werking;
    • geen detailhandel plaatsvindt anders dan detailhandel in eigen vervaardigde producten en streekgeproduceerde producten tot een vloeroppervlakte met een maximum van 80 m²;
  4. de maatvoering van de bedrijfswoning binnen het bouwvlak is als volgt:
    • goothoogte bedrijfswoning: maximaal 5 meter;
    • bouwhoogte bedrijfswoning: maximaal 10 meter;
    • inhoud bedrijfswoning: maximaal 650 m³;
  5. voor bedrijfsgebouwen is een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van 12,5 meter toegestaan;
  6. de maatvoering van bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak is als volgt:
    • bijbehorende bouwwerken hebben een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 6 meter;
    • oppervlakte bijbehorende bouwwerken: maximaal 80 m²;
    • bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van minimaal 1 meter achter de voorgevel van de woning gebouwd te worden;
  7. de maatvoering van andere bouwwerken binnen het bouwvlak is als volgt:
    • mestsilo’s hebben een maximale bouwhoogte van 8,5 meter en een maximale goothoogte van 4 meter;
    • bouwhoogte sleufsilo’s: maximaal 6 meter;
    • bouwhoogte overige silo’s: maximaal 12 meter;
    • bouwhoogte erfafscheidingen: maximaal 2 meter;
    • bouwhoogte overige bijbehorende bouwwerken: maximaal 6 meter;
    • hooibergen hebben maximaal een bouwhoogte van 9 meter, een goothoogte van 6 meter en een oppervlakte van 36 m²; 
  8. tijdelijke en/of permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn toegelaten;
  9. voor een permanente teeltondersteunende voorziening geldt een oppervlakte van maximaal 1.500 m²; indien de huidige oppervlakte van deze voorzieningen reeds groter is, dan geldt de bestaande oppervlakte als maximum;
  10. per bedrijf is maximaal 1 windmolen/windturbine toegestaan onder de volgende voorwaarden:
    • geplaatst in de nabijheid van aanwezige gebouwen binnen het bouwvlak;
    • de hoogte is maximaal gelijk aan de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen.
 
3.2.2. Voor andere bouwwerken buiten het (agrarisch) bouwvlak geldt het volgende:
 
  1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan; deze mogen worden opgericht in de periode 1 maart t/m 30 november voor een maximale duur van 7 maanden (de verankerde palen en constructies mogen permanent aanwezig zijn);
  2. de hoogte van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen bedraagt maximaal 5 meter;
  3. de hoogte van andere bouwwerken zoals steigers, banken, picknicktafels, informatievoorzieningen, bewegwijzering ten behoeve van recreatief medegebruik bedraagt maximaal 2 meter;
  4. de hoogte van andere bouwwerken, als bedoeld in lid 3.1onder h, bedraagt maximaal 1,5 meter;
  5. de hoogte van perceelafscheidingen bedraagt maximaal 1,25 meter.
  
3.3 Specifieke nadere eisen
 
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan:
 
  1. de situering van nieuw op te richten bebouwing op percelen met het oog op de bescherming van de natuur- en landschapswaarden, als bedoeld in artikel 3.1, sublid c;
  2. afmetingen en vorm van gebouwen en andere bouwwerken, indien dat noodzakelijk is voor de verkeersveiligheid of om aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen te voorkomen dan wel een goede landschappelijke inpassing te bereiken.
De nadere eisen mogen niet op onevenredige wijze het gebruik van bouwwerken en gronden aantasten.
  
3.4 Afwijken van de bouwregels
 
3.4.1. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van artikel 3.2.1 sublid d, waarbij de bedrijfswoning mag worden uitgebreid onder de volgende voorwaarden:
 
  1. de uitbreiding, tot een maximum van 800 m³, moet plaatsvinden binnen het bouwvlak;
  2. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  3. een aanvaardbaar woonmilieu moet gewaarborgd zijn.
 
3.4.2. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van de inhoudsmaat van de bedrijfswoning, als bedoeld in artikel 3.2.1 sublid d, om een uitbreiding van een woning toe te staan tot maximaal de inhoud van het gebouw waarin de bedrijfswoning is gelegen, onder de volgende voorwaarde:
 
  1. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.
   
3.4.3. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van artikel 3.2.1 sublid b, om een tweede bedrijfswoning toe te staan, onder de volgende voorwaarden:
 
  1. de initiatiefnemer moet op basis van een advies van een onafhankelijke door de gemeente aan te wijze deskundige aantonen dat de werkzaamheden op het bedrijf een omvang hebben van ten minste twee volwaardige arbeidskrachten; de noodzaak van een tweede bedrijfswoning moet op het moment van de aanvraag en op de lange termijn worden aangetoond; 
  2. de tweede bedrijfswoning moet in beginsel worden gerealiseerd binnen het bouwvlak;
  3. de tweede bedrijfswoning dient aan de wegzijde van het agrarische bouwperceel te worden opgericht;
  4. het bouwvlak mag worden vergroot met maximaal 200 m² als dit leidt tot een ruimtelijk betere situatie;
  5. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  6. een aanvaardbaar woonmilieu moet gewaarborgd zijn.
  
3.4.4. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van artikel 3.2.1 sublid b, om huisvesting voor seizoenarbeiders toe te staan, onder de volgende voorwaarden:
 
  1. het betreft werknemers voor de ter plaatse uitgeoefende agrarische bedrijfsactiviteit;
  2. de huisvesting in bestaande bebouwing is toegestaan voor maximaal 6 maanden per jaar en in tijdelijke units of caravans bij piekbelasting voor maximaal 4 maanden per jaar;
  3. er moet worden voldaan aan de vereisten van het Bouwbesluit en de Bouwverordening.
 
3.4.5. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van artikel 3.2.1 sublid b, om bestaande bedrijfsbebouwing in te richten of te verbouwen voor een zorgfunctie, onder de volgende voorwaarden:
 
  1. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  2. maximaal 25% van de oppervlakte van bestaande bedrijfsgebouwen mag worden gebruikt tot een totale maximale vloeroppervlakte van 350 m².
 
3.4.6. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van artikel 3.2.1 sublid a, om een paardenbak te realiseren, onder de volgende voorwaarden:
 
  1. een paardenbak kan worden gerealiseerd binnen of direct aansluitend aan het bouwvlak, het bedrijfsperceel of het bestemmingsvlak;
  2. de aanleg van een paardenbak in de EHS is alleen toegestaan als is aangetoond dat de aanleg de ecologische kernkwaliteiten en omgevingscondities van de EHS ter plaatse niet aantast;
  3. de aanleg van de paardenbak vindt plaats binnen een afstand van 50 meter van de bedrijfswoning, maar niet tussen de woning en de openbare weg of aan de overzijde van die weg;
  4. de afstand tot de naastgelegen woningen van derden bedraagt minimaal 50 meter;
  5. de afmeting van de bak bedraagt maximaal 20 x 60 meter;
  6. de hoogte van de afrastering en verlichtingsmasten bedragen respectievelijk maximaal 1,4 meter en 4 meter.
  
3.4.7. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van artikel 3.2.2, om een schuilgelegenheid voor dieren toe te staan, onder de volgende voorwaarden:
 
  1. het perceel waarop de schuilstal wordt gebouwd, grenst niet aan het huisperceel van de eigenaar;
  2. de bouw van een schuilgelegenheid in de EHS is alleen toegestaan als is aangetoond dat de bouw de ecologische kernkwaliteiten en omgevingscondities van de EHS ter plaatse niet aantast;
  3. de schuilstal dient op verantwoorde wijze landschappelijk te worden ingepast;
  4. de schuilstal heeft een oppervlakte van maximaal 30 m² en een nokhoogte van maximaal 3,5 meter en wordt afgedekt met een kap;
  5. de schuilstal is geen stal voor permanent verblijf van dieren en is aan één zijde open zodat dieren onbelemmerd in/uit de schuilstal kunnen gaan;
  6. het opslaan van materiaal is niet toegestaan.
 
3.4.8. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van artikel 3.2.1 sublid c, waarbij kleinschalige kampeerterreinen kunnen worden toegelaten, onder de volgende voorwaarden:
 
  1. de aanleg is mogelijk op of in aansluiting op het bouwvlak;
  2. de aanleg in de EHS is alleen toegestaan als is aangetoond dat de aanleg de ecologische kernkwaliteiten en omgevingscondities van de EHS ter plaatse niet aantast;
  3. het gebruik van de staanplaatsen is beperkt tot het kampeerseizoen (15 maart t/m 31 oktober);
  4. het terrein dient landschappelijk zorgvuldig te worden ingepast; de landschappelijke inpassing en ruimtelijke inrichting van het terrein dient te worden vastgelegd in een door burgemeester en wethouders goedgekeurd inrichtingsplan;
  5. sanitaire voorzieningen worden uitsluitend binnen het bouwvlak aangelegd, bij voorkeur binnen de bestaande bebouwing of in nieuwbouw die op de bestaande bebouwing aansluit; de oppervlakte van deze voorziening bedraagt maximaal 50 m² en de hoogte bij uitbreiding van de bestaande bebouwing bedraagt maximaal 6 meter;
  6. een recreatieruimte/kantine toegestaan, bij voorkeur binnen de bestaande bebouwing of in nieuwbouw die op de bestaande bebouwing aansluit; deze voorziening heeft in totaal een maximum oppervlakte van 100 m² en bij uitbreiding van de bestaande bebouwing een hoogte van maximaal 6 meter.
 
3.5 Specifieke gebruiksregels 
 
Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende opstallen te gebruiken of in gebruik te geven of te laten voor een doel of op een wijze strijdig met deze bestemming. Daaronder wordt in ieder geval begrepen:
 
  1. het opslaan van materialen en goederen in de open lucht buiten het bouwvlak;
  2. het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en producten tenzij:
    • dit plaatsvindt ten behoeve van de agrarische productie binnen het bedrijf dan wel uitsluitend betrekking heeft op agrarische producten van het eigen bedrijf;
    • dit plaatsvindt ten behoeve van een toegestane niet-agrarische nevenactiviteit binnen de bestaande bebouwing;
  3. detailhandel, tenzij het detailhandel betreft als ondergeschikte nevenactiviteit in zelf vervaardigde en/of voortgebrachte producten;
  4. de wijziging van het bestaande agrarisch gebruik van de gronden in boom- en/of sierteelt;
  5. het gebruik van de gronden voor pot- en containerteelt buiten het bouwvlak;
  6. het gebruik van gronden voor tuinbouw met open grondteelt, fruitteelt en/of bestaande boom- en sierteelt (met uitzondering van bestaand gebruik) waarbij bestrijdingsmiddelen worden ingezet in een zone van 50 meter, gemeten vanaf de grens van:
    • de bestemming ‘Wonen’;
    • de kernen Alphen, Altforst, Appeltern, Beneden-Leeuwen, Boven-Leeuwen, Dreumel, Maasbommel en Wamel, en de overige gronden die op de verbeelding zijn aangeduid als gronden vallend buiten het plan;
    • de recreatieterreinen grenzend aan de gronden van dit bestemmingsplan;
  7. het in gebruik geven, nemen en hebben van een recreatiewoning, recreatieappartementen, groepsaccommodatie, een mobiel kampeervoertuig of een bijgebouw voor permanente bewoning;
  8. het in gebruik geven, nemen en hebben van (delen van) ruimten of gebouwen bestemd voor een zorgfunctie voor zelfstandige bewoning;
  9. het plaatsen van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf, anders dan de daarvoor bij dit bestemmingsplan aangewezen gronden;
  10. het geheel of gedeeltelijk onder peil stallen van dieren.
  
3.6 Afwijken van de gebruiksregels
 
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.5, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
 
3.6.1. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.5 sublid h voor het gebruik van een deel van het hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerken bij een woning als afhankelijke woonruimte (inwoning), met dien verstande dat:
 
  1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit het oogpunt van mantelzorg;
  2. op het perceel al een woning aanwezig is;
  3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; 
  4. per woning maximaal één afwijking ten behoeve van inwoning voor mantelzorg mag worden verleend;
  5. inwoning in beginsel dient plaats te vinden bij, in of direct aansluitend aan de woning, waarbij de afhankelijke woonruimte een onderlinge verbinding met de woning dient te hebben; het gebruik van een vrijstaand bijgebouw als afhankelijke woonruimte is uitsluitend toegestaan indien realisering van de inwoning in of aan het hoofdgebouw voor de inwoner of andere bewoner(s) onredelijk bezwarend is;
  6. maximaal 75 m² van hoofdgebouw en/of bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van de inwoning;
  7. geen eigen nutsvoorziening is toegestaan;
  8. er een overeenkomst wordt gesloten met de gemeente West Maas en Waal.
  

3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of van werkzaamheden
 
3.7.1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren op de tot ‘Agrarisch – Komgebied’ bestemde gronden:
 
  1. het beplanten van gronden met houtgewas;
  2. het vellen en/of rooien van houtgewas en waardevolle houtopstanden, of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas tot gevolg kunnen hebben;
  3. het afgraven, egaliseren, aanvullen of ophogen van gronden;
  4. het aanleggen en verharden van (bedrijfs)wegen, paden, het aanbrengen van andere oppervlakte verhardingen, groter dan 250 m²;
  5. het aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies.
 
3.7.2. Geen omgevingsvergunning is vereist voor werken van geringe omvang en werken:
  1. die in het kader van het normale beheer en onderhoud worden verricht of ter uitvoering van het Landschapontwikkelingsplan;
  2. die worden uitgevoerd binnen een bouwvlak;
  3. waarvoor een omgevingsvergunning is verleend.
 
3.7.3. Omgevingsvergunningen kunnen slechts worden verleend indien de in de bestemmingsomschrijving van deze bestemming omschreven waarden niet onevenredig worden aangetast en de werken voor de naast liggende gebieden geen onevenredig nadelige gevolgen hebben.
 

3.8 Wijzigingsbevoegdheid
 
3.8.1. Burgemeester en wethouders kunnen het bouwvlak vergroten voor het uitbreiden van de glasopstanden onder de volgende voorwaarden:
 
  1. uitbreiding binnen het bouwvlak is uit een oogpunt van doelmatigheid niet mogelijk;
  2. de bestaande oppervlakte van de glasopstanden mag met maximaal 20% worden vergroot;
  3. het bouwvlak dient zó te worden vergroot dat de afstand tot de naastgelegen bedrijven niet wordt verkleind; de bebouwing dient, mede daarom, in de lengterichting haaks op de weg te worden geplaatst (tenzij een goede stedenbouwkundige inpassing vraagt om plaatsing parallel aan de weg);
  4. de economische noodzaak van de wijziging dient te worden aangetoond;
  5. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing gebaseerd op een door burgemeester en wethouders goedgekeurd inrichtingsplan; de stroken die nodig zijn voor de erfbeplanting ten behoeve van de landschappelijke inpassing worden niet meegerekend bij de nieuwe toegelaten oppervlakte;
  6. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  7. indien het bouwvlak in de EHS ligt mag de uitbreiding geen significant negatief effect hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van de EHS.
 
3.8.2. Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Agrarisch – Komgebied’ van een bouwvlak wijzigen in de bestemming ‘Wonen’, onder de volgende voorwaarden:
 
  1. de regeling voor functieverandering geldt niet alleen voor recent vrijgekomen legale agrarische bedrijfsgebouwen maar ook voor eerder vrijgekomen legale agrarische bedrijfsgebouwen (al dan niet met een woonbestemming) die minstens vijf jaar rechtmatig in agrarisch gebruik zijn geweest;
  2. functieverandering mag niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende (agrarische) bedrijven;
  3. nieuwe bebouwing wordt alleen toegestaan wanneer deze op een goede landschappelijke en stedenbouwkundige wijze kan worden ingepast in het buitengebied;
  4. een goede landschappelijke inpassing door streekeigen beplanting moet zijn gewaarborgd door een door burgemeester en wethouders goedgekeurd inrichtingsplan;
  5. bebouwing met monumentale of karakteristieke waarde mag volledig worden hergebruikt voor de nieuwe functie;
  6. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  7. de initiatiefnemer heeft bij sloop van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen de keuze zijn bestaande woning uit te breiden, een extra woning te bouwen of nieuwe bijbehorende bouwwerken op te richten:
    1. bij sloop van alle agrarische bedrijfsgebouwen mag de (voormalige) bedrijfswoning tot maximaal 1.200 m³ worden uitgebreid; de toegestane inhoud van de uitbreiding is gerelateerd aan de totale oppervlakte van de gesloopte gebouwen, zoals vermeld in onderstaande tabel:
 
gesloopte oppervlakte bedrijfsgebouwen in m²
extra uitbreiding woning in m³
0 – 750 m²
0,5 m³ per gesloopte m²
> 750 m²
0,35 m³ per gesloopte m²
 
  1. bij de bouw van een extra woning geldt dat de oppervlakte van de nieuwe woning maximaal 50% bedraagt van de oppervlakte van de gebouwen, die gesloopt mag worden om voor deze regeling in aanmerking te komen; de toegestane inhoud van de extra woning is gerelateerd aan de totale oppervlakte van de gesloopte gebouwen zoals vermeld in onderstaande tabel:
 
gesloopte oppervlakte bedrijfsgebouwen in m²
volume extra woning
in m³
0 – 1.000 m²
bouw extra woning niet mogelijk
> 1.000 m²
bouw woning van maximaal 800 m³
 
    1. om bij de bouw van een extra woning voor saldering in aanmerking te komen, gelden voor elk van de bij de saldering betrokken percelen de volgende voorwaarden:
      • voor elk perceel geldt dat alle vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen moeten worden gesloopt met een minimum van 250 m²;
      • de extra woning wordt gerealiseerd daar waar dat uit ruimtelijk oogpunt het meest passend is;
    2. bij sloop van alle vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen mag 60% van de gesloopte oppervlakte als bijgebouw van de bestaande bedrijfswoning worden teruggebouwd onder voorwaarde dat de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken (bestaand en nieuw) maximaal 200 m² bedraagt;
  1. de bestemming ‘Agrarisch – Komgebied’ vervalt;
  2. de regels van de bestemming ‘Wonen’ zijn overeenkomstig van toepassing.
 

3.8.3. Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Agrarisch – Komgebied’ van een bouwvlak ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf wijzigen in de bestemming ‘Wonen’, onder de volgende voorwaarden:
 
  1. de regeling voor functieverandering geldt niet alleen voor recent vrijgekomen legale glasopstallen maar ook voor eerder vrijgekomen legale glasopstallen (al dan niet met een woonbestemming) die minstens vijf jaar rechtmatig in agrarisch gebruik zijn geweest;
  2. functieverandering mag niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende (agrarische) bedrijven;
  3. nieuwe bebouwing wordt alleen toegestaan wanneer deze op een goede landschappelijke en stedenbouwkundige wijze kan worden ingepast in het buitengebied;
  4. een goede landschappelijke inpassing door streekeigen beplanting moet zijn gewaarborgd door een door burgemeester en wethouders goedgekeurd inrichtingsplan;
  5. bebouwing met monumentale of karakteristieke waarde mag volledig worden hergebruikt voor de nieuwe functie;
  6. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  7. de initiatiefnemer heeft bij sloop van (voormalige) vrijgekomen glasopstallen de keuze zijn bestaande woning uit te breiden, een extra woning te bouwen of nieuwe bijbehorende bouwwerken op te richten:
    1. bij sloop van alle glasopstallen mag de (voormalige) bedrijfswoning tot maximaal 1.200 m³ worden uitgebreid; de toegestane inhoud van de uitbreiding is gerelateerd aan de totale oppervlakte van de gesloopte glasopstallen, zoals vermeld in onderstaande tabel:
 
gesloopte oppervlakte glasopstallen in m²
extra uitbreiding woning in m³
0 – 1.000 m²
0,2 m³ per gesloopte m²
> 1.000 m²
0,05 m³ per gesloopte m²
 
  1. bij de bouw van een extra woning geldt dat de oppervlakte van de nieuwe woning maximaal 50% bedraagt van de oppervlakte van de gesloopte glasopstallen; de toegestane inhoud van de extra woning is gerelateerd aan de totale oppervlakte van de gesloopte glasopstallen zoals vermeld in onderstaande tabel:
 
gesloopte oppervlakte glasopstallen in m²
volume extra woning
in m³
0 – 5.000 m²
bouw extra woning niet mogelijk
> 5.000 m²
bouw woning van maximaal 800 m³
 
    1. om bij de bouw van een extra woning voor saldering in aanmerking te komen, gelden voor elk van de bij de saldering betrokken percelen de volgende voorwaarden:
      • voor elk perceel geldt dat alle vrijgekomen glasopstallen moeten worden gesloopt met een minimum van 1.000 m²;
      • de extra woning wordt gerealiseerd daar waar dat uit ruimtelijk oogpunt het meest passend is;
    2. bij sloop van alle glasopstallen mag 20% van de gesloopte oppervlakte worden teruggebouwd in de vorm van een nieuw bijgebouw of uitbreiding van een bestaand bijgebouw van de voormalige bedrijfswoning tot een maximale oppervlakte (bestaand en nieuw) van 200 m² is bereikt;
  1. de bestemming ‘Agrarisch – Komgebied’ vervalt;
  2. de regels van de bestemming ‘Wonen’ zijn overeenkomstig van toepassing.
 
3.8.4. Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Agrarisch – Komgebied’ van een bouwvlak wijzigen in de bestemming ‘Bedrijf’, onder de volgende voorwaarden:
 
  1. de regeling voor functieverandering geldt niet alleen voor recent vrijgekomen legale agrarische bedrijfsgebouwen maar ook voor eerder vrijgekomen legale agrarische bedrijfsgebouwen (al dan niet met een woonbestemming) die minstens vijf jaar rechtmatig in agrarisch gebruik zijn geweest;
  2. functieverandering van vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen mag niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende (agrarische) bedrijven;
  3. bij functieverandering moet de bestaande infrastructuur toereikend zijn voor de nieuwe functie; nieuwe functies mogen geen grote verkeersaantrekkende werking hebben;
  4. bebouwing met monumentale of karakteristieke waarde mag volledig worden hergebruikt voor de nieuwe bedrijfsfunctie;
  5. nieuwe bebouwing wordt alleen toegestaan wanneer deze op een goede landschappelijke en stedenbouwkundige wijze kan worden ingepast in het buitengebied;
  6. een goede landschappelijke inpassing door streekeigen beplanting moet zijn gewaarborgd door een door burgemeester en wethouders goedgekeurd inrichtingsplan;
  7. buitenopslag van goederen en stalling buiten is niet toegestaan;
  8. de vestiging van bepaalde typen bedrijvigheid wordt alleen toelaatbaar geacht wanneer een deel van de vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt; de hoeveelheid te slopen bedrijfsgebouwen is afhankelijk van de functie van het bedrijf dat zich er wil vestigen;
  9. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad; 
  10. in de onderstaande tabel zijn de soorten bedrijvigheid vermeld waarvoor de vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen kunnen worden benut en de maximaal toegelaten oppervlakte van de gebouwen voor de nieuwe bedrijfsfunctie: 
 
categorie bedrijvigheid
omvang hergebruik buiten EHS (multifunctioneel gebied)
verblijfsrecreatie (geldt uitsluitend voor extensieve verblijfsaccommodatie)
500 m²
dagrecreatie
500 m² (voor horeca 250 m²)
agrarisch verwante bedrijven
100%
overige aan het buitengebied gebonden bedrijven
100%
opslagbedrijven
500 m² + 75% van de overtollige opstallen
overige bedrijven
500 m²
 
  1. de lijst van categorieën van bedrijvigheid, die opgenomen is in lid j, is nader uitgewerkt in een bedrijvenlijst die als bijlage 1 ‘Toegelaten functies’ aan deze regels is toegevoegd; 
  2. de bestemming ‘Agrarisch – Komgebied’ van het bouwvlak vervalt;
  3. de regels van de bestemming ‘Bedrijf’ zijn overeenkomstig van toepassing.
 

3.8.5.
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Agrarisch – Komgebied’ van een bouwvlak ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf, dat gelegen is buiten de EHS, wijzigen in de bestemming ‘Bedrijf’, onder dezelfde voorwaarden als vermeld onder artikel 3.8.4 met uitzondering van lid j. Voor deze bevoegdheid gelden de volgende aanvullende voorwaarden: 
  1. in ruil voor gesloopte glasopstanden kan een nieuw bedrijfsgebouw worden gebouwd ten behoeve van aan het buitengebied gebonden bedrijven en niet aan het buitengebied gebonden bedrijven, zoals opgenomen in de categorieën van bijlage 1 ‘Toegelaten functies’.
  2. de toegestane oppervlakte voor een nieuw bedrijfsgebouw is gerelateerd aan de totale oppervlakte van de gesloopte glasopstanden, zoals vermeld in onderstaande tabel: 
 
gesloopte oppervlakte glasopstallen in m²
categorieën 1 t/m 4 (aan het buitengebied gebonden bedrijven)
categorieën 5 en 6 (niet aan het buitengebied gebonden bedrijven)
0 – 3.500 m²
bouw nieuw bedrijfsgebouw niet mogelijk
bouw nieuw bedrijfsgebouw niet mogelijk
>3.500 – 20.000 m²
omvang nieuwe bedrijfsbebouwing maximaal 500 m²
omvang nieuwe bedrijfsbebouwing maximaal 250 m²
>20.000 m²
omvang nieuwe bedrijfsbebouwing maximaal 1.000 m²
omvang nieuwe bedrijfsbebouwing maximaal 500 m²
 
  1. de bestemming ‘Agrarisch – Komgebied’ van het bouwvlak vervalt;
  2. de regels van de bestemming ‘Bedrijf’ zijn overeenkomstig van toepassing.
 
3.8.6.
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ‘Agrarisch – Komgebied’ wijzigen in de bestemming ‘Bos’ of ‘Natuur’, onder de volgende voorwaarden: 
  1. de wijziging van de bestemming van de gronden is in overeenstemming met het Landschapsontwikkelingsplan;
  2. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad.

3 Algemene regels

Artikel 4 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 5 Algemene bouwregels

5.1 Herbouw woningen
 
Herbouw van woningen is, voor zover het de situering van de woning betreft, uitsluitend toegestaan indien en voor zover:
 
  1. de herbouw grotendeels plaatsvindt op de bestaande fundamenten; bij het ontbreken daarvan vindt herbouw plaats binnen de voormalige bebouwingscontour van de woning of binnen een afstand van maximaal 3 meter van de bebouwingscontour;
  2. de voorgevel van de te herbouwen woning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn of in de voorgevelrooilijn die parallel loopt met de bestaande voorgevelrooilijn;
  3. de belangen van de in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  4. de nieuwe situering van de woning stedebouwkundig en milieuhygiënisch aanvaardbaar is.
  
5.2 Vrijwaringszone A-watergang
 
5.2.1. Binnen een afstand van 5 meter, gerekend vanaf de bestemmingsgrens aan weerszijden van de A-watergang, zijn geen bouwwerken toegelaten.
 
5.2.2. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van het bepaalde in lid 5.2.1. en bouwwerken toelaten op grond van de onderliggende bestemmingen. Vooraf dient advies te worden ingewonnen bij de waterbeheerder.
 

5.3 Ondergeschikte bouwdelen
 
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter bedraagt.
  
5.4 Bestaande maten
 
In die gevallen dat bestaande goot- en bouwhoogten, afstanden, oppervlakten, inhoud van legale bouwwerken meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, gelden deze goot- en bouwhoogten, afstanden, oppervlakten of inhoud als maximum.

Artikel 6 Algemene gebruiksregels

6.1 Gebruiksverbod
 
Onder verboden gebruik, als bedoeld in artikel 2.1.1, sub c, van de Wabo, wordt in ieder geval beschouwd een gebruik als:
 
  1. staan- of ligplaats voor onderkomens;
  2. opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en vaartuigen of onderdelen daarvan;
  3. al dan niet tijdelijke buitenopslag voor gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines of onderdelen daarvan, indien deze opslag hoger is dan 3 meter of gelegen is voor de voorgevel aan de wegzijde;
  4. stortplaats voor puin, mest- of afvalstoffen;
  5. seksinrichting of ten behoeve van prostitutiedoeleinden;
  6. het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten (zoals motorcross, quadrijden, modelvliegtuigen, etc.) anders dan de daarvoor door de gemeente aangewezen gronden.
  
6.2 Uitzondering van verboden gebruik
 
Het bepaalde in artikel 6.1 is niet van toepassing op (tijdelijk) gebruik ten behoeve van de realisering en/of handhaving van de bestemmingen of het normale onderhoud van de gronden en/of bouwwerken.
  
6.3 Meest doelmatige gebruik
 
Burgemeester en wethouders kunnen van het bepaalde in artikel 6.1 bij een omgevingsvergunning afwijken indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dingende redenen gerechtvaardigd wordt.

Artikel 7 Algemene afwijkingsregels

7.1 Afwijkingsbevoegdheden
 
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor:
 
  1. het oprichten van bouwwerken voor algemeen nut (zoals abri’s, telefooncellen, transformatorhuisjes, gasregel- en drukstations, conmatics), mits de inhoud van elk van deze bouwwerken niet meer bedraagt dan 75 m³ en de bouwhoogte ervan niet meer bedraagt dan 4 meter;
  2. het in geringe mate aanpassen van enig onderdeel van het plan, zoals een bebouwingsgrens, indien bij definitieve uitmeting en verkaveling blijkt, dat deze aanpassing in het belang van een juiste verwerkelijking van het plan gewenst of noodzakelijk is, waarbij de grenzen met niet meer dan 3 meter worden verschoven;
  3. het oprichten van masten ten behoeve van mobiele (beeld)telefonie en zendmasten tot een bouwhoogte van maximaal 15 meter.
  
7.2 Afwegingscriteria
 
Van de bevoegdheid van artikel 7.1 kan slechts gebruik worden gemaakt indien het bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt aangetast.

Artikel 8 Algemene wijzigingsregels

8.1 Wijzigingsbevoegdheden
 
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen ten behoeve van:
 
  1. het in geringe mate aanpassen van het plan, teneinde enig onderdeel van het plan, zoals een bestemmingsgrens of een bouwgrens te veranderen, indien bij definitieve uitmeting of verkaveling blijkt, dat deze aanpassing in het belang van een juiste verwezenlijking van het plan gewenst of noodzakelijk is en de bestemmingsgrens niet meer dan 5 meter en de bouwgrens niet meer dan 10 meter worden verschoven;
  2. het oprichten van gebouwen van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes en gemaalgebouwtjes met een inhoud van maximaal 100 m³ en een goothoogte van maximaal 4 meter;
  3. het enigszins anders situeren en/of begrenzen van bouwvlakken, indien dit ten behoeve van de uitvoering van een bouwplan nodig mocht blijken, één en ander, mits de vorm slechts in geringe mate wordt gewijzigd en de oppervlakte van het desbetreffende bouwvlak met niet meer dan 20% wordt vergroot of verkleind.

8.2 Afwegingscriteria
 
Van de bevoegdheid van artikel 8.1 kan slechts gebruik worden gemaakt indien het bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt aangetast.

Artikel 9 Algemene procedureregels

Indien burgemeester en wethouders toepassing geven aan het opleggen van nadere eisen of een vermelde wijzigingsregel worden de volgende procedures gevolgd.
 
9.1 Nadere eisen (conform artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening)
 
Bij de voorbereiding van een besluit tot het opleggen van nadere eisen, opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan, is de navolgende voorbereidingsprocedure van toepassing:
 
  1. burgemeester en wethouders maken het voornemen tot het opleggen van nadere eisen van te voren in een huis-aan-huisblad dat in de gemeente wordt verspreid en voorts op de gebruikelijke wijze bekend;
  2. het voornemen tot het opleggen van nadere eisen alsmede het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken liggen gedurende twee weken voor een ieder ter inzage;
  3. de bekendmaking houdt de mededeling in dat een ieder schriftelijk zijn zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren kan brengen bij burgemeester en wethouders gedurende de termijn van terinzagelegging;
  4. het besluit omtrent het opleggen van nadere eisen wordt met redenen omkleed;
  5. burgemeester en wethouders stellen de indiener(s) van een zienswijze in kennis van hun besluit.
  
9.2 Wijziging (conform artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening)
 
Bij de voorbereiding van een besluit tot wijziging, opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan, is de procedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 10 Overgangsrecht

10.1 Overgangsrecht bouwwerken
 
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
 
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan als gevolg van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  
10.2 Met een omgevingsvergunning afwijken
 
Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van artikel 10.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 10.1 met maximaal 10%.
  
10.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken
 
Artikel 10.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning voor het bouwen en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
  
10.4 Overgangsrecht gebruik
 
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  
10.5 Strijdig gebruik
 
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 10.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
 
10.6 Verboden gebruik
 
Indien het gebruik, als bedoeld in artikel 10.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Artikel 11 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:
 
Regels van het bestemmingsplan
Buitengebied, Wolderweg 5 Maasbommel
van de gemeente West Maas en Waal.
 
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering d.d. ……-……-………
    
De voorzitter,                                                                                                     De griffier,
    
…………………………                                                                                    …………………………